Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uitwendige hulpmidd. tegen de breuken, ag

terbentijn , en teer , over welke hij een kusfentje en eenen breukband plaatfte.

Wanneer de breuk met ontfteeking vergezeld gaat, moet men, zegt hij, gebruik maaken van eene pap , zamengefteld uit vioolen , roozen 7 gerstenmeel, het water van weegbree, kaasjesbladen, korentcn, roozen- en amandelolij; welke pap men in den winter warm, doch des zomers koud moet aanleggen. Ook prijst hij aan eene aderlaating op den voet te doen.

Om de verfterving te beteugelen , wil hij, dat men doeken , nat gemaakt in aloë en ' wierook , die in wijnazijn ontbonden zijn , op de breuk zal plaatzen (</).

Rijff beveelt, dat men gebruik zal maaken van eene breukpleister, beftaande uit teer, aramoniacgom , galbanum , mastik, wit en rood wasch, fpienelharst, aloë, ronden holwortel, vogellijm, armenifche aarde, gips, myrrhe, wierook , terbentijn, aardwormen, dc beide waalwortels, fanicul, mumie, draakenbloed, bdel~ hum , het flijm van uitgekookte ramsvellen, menfchenbloed en vischlijm, daar bij doende myrthenolij (Y).

Van

(«") De Turn. prceter nat. cap, 43.

(>) Die kleine Chirurgie, der VI. theil. feite 174.

B 5

Sluiten