Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edele Steenen. 491

terd - Hyacinthen , en derzelver Kryftallen, heb ik voorheen gefproken*. De Heer Deli se e cwyfelt, of de Orientaalfche ook zulk eene Kryftalfiguur hebben; doch men kan dit zeer duidelyk in fommigen van de kleinen die in menigte als gruis van daar overkomen, befchouwen. Meest echter vallen zy Keizelachtig , gelyk ik verfcheidene heb , die zeer fchoon zyn , van grootte als Koffybooncn. Anders is de Kryftallifche Geftalte een Prisma, met vier , vyf of zes, ongelyke Zyden en tweeredelyk fpitfe Punten: zie Fig, 6, Pl. XXXIII. In hardheid wyken zy voor de Topaazen niet. Sommigen, gelyk de Heeren Hile en Delislè, verzekeren, dat deeze Hyacinthen hunne Kleur in 't Vuur behouden ; doch anderen hebben het tegendeel( bevonden (m). Men kan dan niet twyfelen, of zy worden door branden allengs bleeker ejn eindelyk byua geheel wit. te minder, daar zodanige wit gebrande Hyacinthen by de Juweliers , die dezelven fomtyds voor Diamanten veilen, onder den naam Cerkonjer bekend zyn. De Heeren Porr en Cerhard verzekeren, dat menze, door een fterken trap van Hitte, tot Vloeijing brengen kan; hebbende dus ook veele kleintjes tot één Klomp te famen ge.

fmol-

0*0 Z\e. Wallerius als boven , p. 252 en Bbuckkass von Edelft. p. 112. & Beytrage. p. 65.

HU DflfcL. 111* Stuk.

n.

Atüsxu

Vil. HooiD»

STUK.

Hyacinth, • Bladz. 369.

Sluiten