Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jxxviii aaniiaalingen

XXI. Propofitie is by ons Ca) XXII. . IV. l6.

xxjii. iv. 7. Gev. 2e

XXIV. co

XXV. _ W. III. 30.

XXVI. (0 d

XXVII.

xxyiii Ld)

XXIX. J

XXX. W. I, i2.

XXXI. ■ 1V. 20.

XXXII. ■ ~—? fa

XXXIII. VIII. x.

VII. boek;

Ca) De propofitie is, „ Recbtlynige figuuren die aan eene „ en de zelfde figuur gelykvormig zyn, zyn onderling ge„ lykvormig." Dit is in de daad een Axioma.

00 De propofitie is(Fig. 32.) „ De parallelogrammen Hl ,, en FE, die om den diagonaal van een parallelogram „AD ftaan, zyn onderling en met het gegeeven parallelo. „ gram ^iykvormig." Het kan als een Gevolg van ons JI, Vooritel *in het IV. Boek aangemerkt worden.

(O De woorden zyn. „ Indien men (Fig. 32.) van een „ parallelogram AD , een □ GB afneemt, dat aan het „ eerstgemelde gelykvormig en gelykelyk geplaatst is , en „ eenen boek FBE met het zelve gemeen heeft; zal dat „ parallelogram om den diagonaal van het eerstgemelde pa. „ rallelogram ftaan." Zie hier over de Aanm. op IV. 2. Gev. 3

(tf) Zie hier over de 8 en g Aanmerking op 12. V.

(O De propofitie is: „ Indien twee driehoeken (Fig. 65.) „ ABC en CDE, waar in twee zyden evenreedig zyn aan „ twee zyden (AB: CD = BC: D E) zodanig met eenen hoek „ (BCAen D CE) aan elkander gefield zyn , dat de eveneens„ geplaaifte zyden (A Ben CD: B C en DE) evenwydig aan ,, eikanderen zyn, zullen de twee overige zyden (AC en CE) f. ééne rechte lyn ACE uitmaaken." Het wordt gemaklykbeweezenuitl. 4., IV. 4., I, 7. en I, 2,

Sluiten