Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 23

MARIANNE. Ik wjst 'er geen woord van.

Vrouw BERNARD.

Lieve hemel' ja, ftdert agt dagen op zyn langst. Ik diende hy eene mevrouw, die my den gantfchen dag wilde doen babbelen. Ik kon het 'er niet uithouden ; ik ben 'er van daan gegaan. De heer, by wien ik nu woon , praat in 't geheel niet, en dat gevalt my beter, 't Is, naar het uiterhke, een goed mensch... als ik zeg, een goed mensch, dan zyn 'er zeer veel mcnfchen, die zullen zeggen dat hy het niet altyd geweest is, en dat hy zeer Hecht gehandeld heeft met de vrouw van zekeren neef, die hem ongehoorzaam was geweest.

MARIANNE, met verbazing.

De vrouw van zekeren neef!

VrOUW BERNARD,

Men zegt, het heeft hem federt gefpeten, omdat die neef dood is. . . Maar, wat weet men het? Hy kan morgen licht weer beginnen, zo hy haar van avond ontdekt. Die neef had ook een dochtertje. . . Ei, zeg me reis wat daarvan al geworden is ? Ik weet 'er niets van , hy ook niet. Hy fpreekt 'er nooit van ; ik heb hem 'er wel eens over uitgevraagd. Ik ben juist niet nieuwsgierig. . . Lieve hemel, wat kan het my fchcelen! Maar, men fielt toch belang in hen, die men dient. En g)zelve, buurvryster, gy zyt wel blyde te hooren. . .

MARIANNE.

Ja, ja ; vervolg.

B 4 Ter

Sluiten