Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEWEEGKUNDE.' zï

pe lengte aanduiden: derhalven Maan de doorgeloopene lengtens in deeze beide onderftellingen tot elkander als deeze Figuuren. Naar maate nu de tijd AB in meer en meer oogenblikken verdeeld wordt, begint de fnelheid van 't begin en einde van elk oogenblik geduurig minder te verfchillen, en de Figuuren na* deren hoé' langs hoe meer tot den driehoek ABC , zo dat deeze de .Limiet van beide Figuuren en dus ook van beide lengtens wordt, en hunne laatfte reden is eene reden van gelijkheid, zo dat de doorgeloop*

lengtedan^&ABC = ABXBC = §ÜZ.

! 2 2

XXVI. VOORSTEL.

De lengte, die een ligchaam al vallende in eenigeft ' tijd doorloopt is ook gelijk aan de Zwaartekragt vermenigvuldigd met het halve cmadraat des tijds.

Of L = —.

2

S T

Bewijs. L = 25 V.

S as ZT. 24 V.

2

I. Gevolg. Dus zijn verfchillende lengtens tot eikander in de zamengeflelde reden der Zwaartekragten en

fraaten der tijden Of L : 1 =r ZT2 : zt\

II. Gevolg. De Zwaartekragten gelijk zijnde, fhan de lengtens tot elkander als de quadraaten der tijden of der fnelheden." Of L : 1 =a T : t* a= S2: s*.

1 A3 III. Ge.

Sluiten