Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijit het leven VAN JESUS. 517

matth. XXVI: 59 — 66. mark. XIV: 55—64.

De Overpriefters en OudTten, en de gantfcheRaad, poogden ondertusfchen (nu de andwoorden van jesus hun geene gelegenheid gaven, om Hem te veröordeelen, langs een nog fchandelijker weg hun oogmerk te hereiken , door) valsch getuigenis tegen jesus op te maken, om hem, (onder fchijn van recht,) aan 't leeven te komen. Doch, (ook dit) hun pogen was vergeefsch. Want, alhoewel vele valfche getuigen, die zij* opgemaakt hadden, tegen hem getuigden, nogthans waren hunne getuigenisfen niet genoegzaam . of zij ftemden niet overeen, r Want naar de Toodfche rechten was het nodig, indien men iemand op getuigen oordeelen wilde, dat, ten minfien, twee of drie getuigen over eene zaak, eenfiemmig , moeften getuigen. Dit bracht derhalven de Priejlers en den Hoogen Raad in nieuwe verlegenheid.) Eindelijk traden nog twee valfche getuigen op, welke zeiden: wij hebben gehoord, dat hij «ezegd heeft: Ik zal den Tempel Gods, die met handen gemaakt is , afbreken , en in drie dagen eenen anderen ftichten, die niet met handen gemaakt is.

[Dit getuigenis komt, noch met de woorden van christus, noch met derzelver zin, overeen. Want, christus had (joh. II: 19.) niet gezegd: ik kan, of ik zal, den Tempel afbreken, maar: Breekt dezen Tempel af, te weten, den Tempel van zijn ligchaam , dien hij , bij zijne opftanding , weder mede uit het graf bracht. Maar de valfche getuigen duidden het op den Tempel te Jerufalem, en voerden dit als eene misdaad van jesus aan, dewijl eene lastering tegen den Tempel, als eene lastering tegen God, wierd aangezien. J

Kk 3 Doch

Sluiten