Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hebreen. hoofdd. L* vs. 7—9. I9O

Niets blijft derhalven, over, dan dat wij, LXXXIX. hier, een liefhebben van gerechtigheid, en IJ'^'fricieen haaten van godloosheid , verftaan, het tingen en welk in hem, als middelaar, heeft plaats ge- ^\^e. had, en waar van hij, als middelaar, door- laar. flaande blijken heeft gegeven.

Om deze gewigtige, en voor eenen — Christen troostrijke, waarheid, in een genoegzaam licht, te befchouwen, zal het nodig zijn, vooraf, eenige bijzonderheden in aanmerking te nemen. De eerfte raakt de oorfpronglijke regering van God, over den mensch; de tweede, het onheil, en de verwarring, die, door de zonde, is veroorzaakt; de derde, het geen er nodig was tot herftel; de vierde, het hoofdverëischte in hem, door wien zulk eene herftelling zou te wege gebracht worden. Van elk, met één woord:

Uit kracht van fchepping, was God, de wettige Opperheer en gebieder van redelijke fchepzelen, en dus ook, van den mensch. Deze was, met alle zijne nakomelingen , verpligt, hem, als zodanig, te erkennen, te eerbiedigen, te gehoorzamen. In liefde tot God en den naaflen gerechtigheid te betrachten; en eenen beflendigen afkeer te behouden, van al wat daar mede ftrijdig was; en , onder den naam van godloosheid, begrepen N 4 wordt;

Sluiten