Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200 verklaring van den brief aan

wordt; daar in beftondt zijn geluk en waare voortrefiijkheid, cn dat was ook de blijvende voorwaarde, op welke hij, onder die godsregering, geraken kon, tot het bezit van eene beftendige en volkomene zaligheid.

Maar, door de zonde, heeft de mensch zich fchuldig gemaakt, aan opftand tegen God. Hij wilde zijn eigen heer zijn, en, door deze dwaasheid, is hij, van zijnen wettigen Opperheer, afgevallen, en een flaaf geworden van zijnen verleider. Hij blijft, ja, in de magt van zijnen Schepper, en onder de onverbreeklijke verpligting aan zijnen Wetgever ; ondertusfchen , door zijne zonde, heeft hij veroorzaakt, dat hij zich den hoogen God, nu niet meer, als zijnen goedertieren Opperheer konde voorftellen , maar, integendeel , als zijnen regtvaardigen Richter , moest aanmerken.

Zou nu zulk eene Godsregering, welke tot 's menfchen voordeel ftrekte, over den zondigen mensch , wederom ftand grijpen , zoo dat zijne ellende daar door weggenomen, en zijn geluk wederom herfteld wierdt, dan moest de godloosheid, naar het heilig recht, geboet, en de gerechtigheid, als eene voorwaarde van 's menfchen wezenlijk geluk, volkomen, betracht worden.

Hier toe was de zondige , de ellendige,

de

Sluiten