Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

31 8 verklaring van den brief aan

ëenigd, met een eigen ligchaam, gelijk wij menfchen.

Het geen wij, hier over, hebben aangemerkt, zal ons, nu verder, te ibade komen, als wij nog fpreken moeten, over de werkingen der Engelen, en den dienst, dien zij verrichten, ten goede van de kerk. Te weten,

CXLIV. De Apostel noemt hen, niet alleen, gees-

fedienfti- Wi maar' ëedienPge geesten (v) ge geesten. Deze omfchrijving verëischt onze aandacht. Al het fchepzel moet aan God, aan aller fchepzelen Heer, dienstbaar zijn. Maar, het woord, hier gebezigd, bepaalt onze gedachten tot eenen bij zonderen, en meer voortreflijken, dienst. Allen, die tot de hofhouding van eenen Vorst behooren, en geroepen zijn, om eenig werk te verrichten, deze allen, van de meesten tot de minsten, moeten aan hem dienstbaar wezen; maar, welk verfchil is hier niet, tusfehen eenen ftaatsdienaar, en eenen geringen knecht! Het woord, dat Paulus, hier, gebruikt, doet ons aan de meerdere waardigheid van den eerften denken: aan eenen dienst, welken iemand, openlijk, verricht, daar toe last ontvangen hebbende, en met magt voorzien; om, in naam van

eenea

Sluiten