Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«wr de Opvoeding. I. Boek. a35

goede uitfpraak tc leeren, noch om wel te verftaan» wat men hen doet zeggen. Daar zy", wanneer men hen aan zich zelven overlaat, zich eerst oeftenen» met de ligtfte lettergreepen uit te fpreken, en allengskens daar eenige beteekenis aan hegtende, welke men door hunne gebaaren verftaat, leveren zy u dus hunne woorden, eer zy de uwe ontvangen; 't geen maakt dat zy de uwe niet aannemen, voor zy die verftaan. Geen haast hebbende om 'er zich van te moeten bedienen, beginnen zy met wel op te letten, welken zin gy 'er aan geeft, en als zy zich daar van ten vollen verzekerd hebben, nemen zy dien aan.

Het grootfte nadeel der overhaasting, met welke men de kinderen, voor hun tijd, doet fpreken, ïs niet daar in gelegen, dat de eerfte gefprekken, die men tot hen voert, en de eerfte woorden, die zy uitbrengen, geen voor hen verftaanbaaren zin hebben , maar dat zy 'er een andere beteekenis dan wy aan hechten, zonder dat wy zulks kunnen ontdekken, zoo dat, terwijl ze ons zeer juist fchynen te antwoorden, 2y fpreken zonder dat zy ons, of wy hen, verftaan. 't Is meestal aan diergelykemisvattingen dat men de verbaazing moet toefchryven, die hunne gezegden dikwijls by ons verwekken, aan welke wy een denkbeeld leenen, 't geen zy 'er niet aan gehecht hebben; deze onoplettendheid van onze zyde, op de waare beteekenis welke de woorden by de kinderen hebben, fchijnt my toe de oorzaak hunner eerfte dwaalingen te zijn; en die dwaa-

lin-

Sluiten