Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over dt Opvoeding. II. Boek. 279

een goed gelaat, en, op zijn vertrek ftaande, geboodt hy zijn knegt hem te volgen. Maar dees, daar toe door my reeds voorbereid, antwoordde, dat hy geen tijd had, en, bezet zijnde met werk hem door my gegeven, eerder aan my dan aan hem moest gehoorzaamen. Hier op was het knaapje niet verdagt. Hoe kon hy begrypen dat men hem alleen zon laten uitgaan, hem, die zich zelven aanzag als een wezen van meer waarde dan alie de anderen, en meende dat hemel en aarde in zijn behoud belang hadden. Hy oegint echter zyne zwakheid te merken; hy overdenkt dat hy zich alleen gaat begeven in 't midden van menfchen die hem niet kennen. Hy ziet voor uit het gevaar, daar hy zich aan bloot gaat ftelien: de hoofdigheid alleen doet hem nog moed houden, hy klimt langfaam de trappen af, en gaat bedeesd ten huize uic Eindelijk gaat hy de ftraat op, zich over 't kwaad dat hem wedervaren kan eenigszins troostende door de hoop, dat men 'er my verantwoordelijk voor ftelien zal.

't Was hier, dat ik hem wilde hebben. Alles was vooraf befteld; en wijl hier een foort van openlijk fpel gefpeeld moest worden, had ik my vooraf met de toeftemming van den vader gefterkt. Naauwlijks had hy enige ftappen gedaan, of hy hoort rechts en links verfcheiden gefprekken, hem betreffende. Zie daar dien lieven jongen heer! Waar gaat hy zoo alleen na toe ? Hy zal een ongeluk krygen. Ik zal hem verzoeken by ons in te komen. — Doe dat niet buurvrouw. Ziet ge niet S 4 dat

Sluiten