Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

238 verklaring van den brief aan

„ Israël in de woestijn, dan of de Hebreen, ,, het Euangelie hadden ontvangen."

Dan, men heeft, deze bedenking makende, niet genoeg, zoo het mij toefchijnt, gelet, op het beloop van des Apostels redenering. In het flot des vorigen Hoofddeels heeft hij de Hebreën doen opmerken , hoe God, ten aanzien van hunne ongehoorzame voorvaders, in de woestijn, gezworen hadt, dat zij in zijne ruste niet zouden ingaan, en, die eed, was aan hun ook bevestigd. Als hij nu , uit dat treurig voorbeeld deze vermaning afleidt: ,, laat ons vreezen, dat „ niet, t'eeniger tijd, iemand van u fchijne „ achtergebleven te zijn," dan geeft hij te kennen, dat zij, in foortgelijke omftandigheden verkeerden , als waar in hunne voorvaders zich toen bevonden. Maar, dan moest deze zelfde belofte, welke die ongelovige voorvaders veronachtzaamd hadden, nu nog plaats hebben! — Dat was ook zoo; Paulus leert uitdruklijk, dat die belofte, van in zijne ruste in te gaan, nagelaten was, en zij, derhalven , nog gelegenheid hadden , dezelve aan zich vervuld te krijgen. Maar, hoe bewijst hij nu, ter billijking van zijne vermaning , dat dezelfde belofte ook aan hun gedaan was ? Hij zegt: want ook ons is het Euan-

Sluiten