Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hebreen. hoofdd. IV: vs. l6. 33

de zich Barnabas over de genade Gods, in de Gemeente te Antïöchie Handel. XI: 23. Zoo fpreekt de Apostel van eene genade, die ge ge. venis, Rom. XII: 3. en dankt God, van wege zijne genade, die de gelovigen , te Korinthe ontvangen hadden 1 Kor. I: 4.

Gelijk wij nu, de bron van heil ons voorftellende, ook tevens denken, aan het geen daar uit voortvloeit, zoo mogen wij ook hier, onder het woord genade, niet alleen Gods ongehouden gunst, maar ook de zaligheden, die daar uit» haren oorfprong namen, tevens begrijpen.

Denken wij dan aan eenen troon , waar op ongehouden goedertierenheid geoefend wordt, en van welken de uitnemendfte genadegaven nederdalen, tot heil van onwaardige en hoogstfchuldige ftervelingen.

Vraagt men, wiens troon, bepaaldlijk, dccix. van den Apostel bedoeld zij, die dés Vaders £^£*S

of die des Godlijken Middelaars? Ge- hier- *'!/-

achte Uitleggers antwoorden hier op, dat Zlondef' Paulus het oog heeft op den troon van baders. Christus, waarvan hij^in het eerjle Hoofddeel (m), uit den XLV Psalm melding maakte ; en dien men, te recht, eenen troon der

ge.

0*0 Vs. 8.

IV. Deel. C

Sluiten