Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hebreen. hoofdd. VI: vs. J3 —15. 3r

vervuld worden, zoo lang wordt er, ook bij de zegepralende Kerk, geloof verëischt, met langmoedigheid. Maar geloof en lang¬

moedigheid, welke daar volmaakt beoefend worden, zonder eenige inmengzelen van verdriet en ftrijd.

Ondertusschen , in zoo verre de belof- dcccclv. ten, aan Abraham gedaan, na zijnen dood [nJ%;™ zijn vervuld geworden, zoo zijn ze aan hem vuld zijn. vervuld, Hij heeft dezelve, bij tijdvervolg, , verkregen, en zal die verder verkrijgen, tot dat alles zal voltooid zijn, en hij ook, met al zijn geestlijk zaad, en allen, die voor hem den weg des levens bewandelden , die belofte van volkomen zaligheid, naar geheel zijn perfoon, beërven zal, welke hij (naar Hebr. XI.) nog niet verkregen heeft. Men vergelijke Matth. XXII: 31, 32. daar de Heiland ons leert, dat de Heer zich den God van Abraham, Isaük en Jakob noemt, na den dood van deze Aartsvaders, toen, wanneer hij de belofte, aan hun gedaan, met opzicht tot IsRAëL, in kracht begon te vervullen ; en befluit daar uit, dat ze niet alleen leefden naar de ziel, maar ook eens uit den dooden zouden opftaan. Leeft dan Abraham, — draagt hij kennis van de beloften, aan hem gedaan, — verwacht en verlangt

hij,

Sluiten