is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaaring van den brief aan de Hebreen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hebreen. hoofdd. VII: vs. i —io. I05

zou hij uit Cham, en wel uit de Kanadniten zijn oorfprong moeten gehad hebben; maar, „ is dit," vraagt men, „ wel waarfchi-jnlijk, „ daar deze volkeren aan den vloek onder„ worpen waren, en, na verloop van 400 ja„ ren verwoest en verdelgd zouden worden!" Doch te recht wordt hier op aangemerkt, dat daar uit geenzins volgt, dat er, in Abrahams tijd , geen Godvruchtigen onder dat volk meer zouden geweest zijn, en derhalven ook geen Godvruchtig voorganger gelijk Melchizedek was; het tegendeel is te vermoeden , uit de Priesterlijke bediening van dezen grooten man, — uit de blijken van kennis, aangaande den eenigen waaren God, bij Abimelech, Koning van Gerar; Gen. XX: 1. en — uit het geen ons van Rebekka verhaald wordt, dat zij, zwanger zijnda , heen ging cm den Heere te vragen; Gen. XXV. 't geen, naar fommiger gedachten, te kennen fchijnt te geven, dat er onder dat volk toen nog geweest zijn , die met buitengewone gaven van den H. Geest voorzien waren. Althans dat men, toen ter tijd, ook in Kanadn, van Profeeten wist, kan men afnemen uit het bericht, dat God aan Abimelech gaf, Waarbij hij Abraham, als een Profeet, aan hem bekend maakte , Gen. XX: 7.; 't geen verpnderftelt, dat de Koning zekere kennis G 5 hadt