Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bit hebrèen. hocfdd. X: vs. 5— ió. 33

maar, in eene onderfcheidene betrekking. God wilde de offeranden naar de wet, als voorbeelden van eene betere offerande, en zulks tot onderwijs van zijne Kerke. God hadt behagen in die offeranden, als een volbrachte voorwaarde van het Sinaïtisch Verbond, en zulks, om de daar in beloofde zegeningen aan

zijn volk te bevestigen. Maar, God'heeft

die zelfde offeranden niet gewild, als de zaak zelve, die tot eeuwig heil van gevallen menfchen moest daargefteld worden, hij heeft er geen welbehagen in gehad, om daar aan eene zalige onftervelijkheid, voorden offeraar vast te maken. Neen! hier toe wierd wat anders verëischt; en dat is, 't welk de MessiSs hier verklaart. Daar hij van 's Heeren gerechtigheid en heil, van zijne weldadigheid en trouwe, fpreekt, in het n, en \%de vers, toont hij het oog te hebben op- beter goed, dan met de onderhouding der Levitifche wetten verbonden was; een goed, dat niet kon toegebracht worden aan zondige ftervelingen , dan door tusfchenkomst van zulk eene gehoorzaamheid , waar toe de Verlosfer van menfchen zich hier bereidvaardig toont. Men vergelijke met deze verfen, het geen de MessiSs zegt in den XXII Psalm, vs. 24. en vervolgends.

En, 't geen hier bijzonder onze opmerking VII. Deel. C ver-

Sluiten