Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hebreen. hoofdd. XI: vs. Ir, 12. 230

,, als de ftarren des hemels, en als het zand, „ dat aan den oever der zee is, het welk on,, tallijk is."

Hij bedient zich van eene vergelijking, die wij ook, in de belofte aan Abraham, gebezigd zien. 't Was Gen. XV. de taal van God tot den Aartsvader, zie nu op naar den hemel, en iel de ftarren, indien gij ze tellen kunt, alzoo zal uw zaad zijn. En Gen. XXII: ij. Ik zal uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de ftarren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is. —. Hem wordt dan een groot

en uitgebreid nageflacht toegezegd. Hoe

nu de fpreekwijze, als het zand der zee, eene verbazende, en volftrekt ontelbare menigte te kennen geeft, is blijkbaar. Maar, is de fpreekwijze, als de ftarren des hemels, hier, wel gepast? Men zal zeggen, „ de ftarren, „ die voor het bloote oog zichtbaar zijn, „ (en aan deze alleen, hebben wij hier te „ denken,) die ftarren kunnen immers geteld ,, worden ; en dërzelver getal is zeker zoo „ groot niet, dat men het, met Abrahams

nakomelingfchap, in vergelijking kan bren>, gen." Dan deze bedenking valt weg, als men in aanmerking neemt, dat de ftarren, aan het oog van elk, die, bij een helderen nacht, den ftarrenhemel befchouwt, ontelbaar voorkomen. Dit voldoet hier: even gelijk

Sluiten