Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

verklaring van den brief aan

Naauwlijks hadt de Aartsvader zijn offerwerk aan den ram verricht, en, bij deze gelegenheid, den naam van die gewijde plaats genoemd, de Heere zal hst voorzien, of 's Heeren Engel, (die hem gehinderd hadt, de bevolene flagting aan zijnen Zoon uittevoeren, met bijgevoegde goedkeuring van zijne uitnemende Godsvrucht, dus ver ten klaarflen gebleken,) die Engel, de Heere zelve, fprak hem andermaal aan, en bevestigde ten fterkften, wat hij immer aan dezen zijnen knecht, beloofd hadt, met Godlijken eed: eene bijzonderheid, waar van de Apostel opzetlijk melding heefc gemaakt, IIoofdd. VI: 13— 15 00-

Dus overladen met blijken van 's Heeren welgevallen, en, na zoo veel kommers, als hem op weg naar deze plaats verzeld hadt, nu onuitfpreeklijk vertroost, verlaat hij dien berg, keert weder met IsaSk, tot zijne achtergelatene jongens, en begeeft zich, met

hun, naar zijn herdersleger te Berfeba.

Hoe aangenaam hem daar de ontmoeting zijner echtgenoote, hoe genoeglijk, vervolgends, zijn verblijf daar geweest zal zijn, is ligtlijk te bevroeden.

De Aartsvader zal nu ook, met het toenemen

(«) Zie Detl VI. bl. 16 en vervolgends.

Sluiten