Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hebreen. hoofdd. XI: vs. 32 — 38. 237

Oudften toont hij te geloven, dat het Jehova's zaak was , de Ammoniten in zijne hand te geven. Richt. IX: 9. j— Hij wilde het bewind niet op zich nemen, ten zij het verdrag bevestigd wierd voor Jehova's aangezicht. H, XI: 9— ir. — In zijne onderhandeling met den Koning der Ammoniten geeft hij treffende blijken , niet alleen van zijne kundigheden, ten aanzien van den ftaat en de belangen zijns volks, maar ook van den eerbied voor, en vertrouwen op den God van Israël. Men vindt dezelve H. XI: 12— 27. — Merkwaardig, vooral, is zijn beroep op Jehova, waarmede hij, door den mond zijner boden , de verdediging van zijns volks zaak, voorden Koning der Ammoniten, befloot, in deze woorden: de Heere die richter is, richte heden tusfehen de kinderen Israëls en de kinderen Ammons! — De ftrijd, hier op gevolgd, en eene heerlijke overwinning, door Jefta behaald zijnde, gaf hij Jehova, den God van Israël, daar van de eere. H. XII: 3.

't Is waar, men heeft, ook tegen hem, veel ingebracht, vooral wegens zijne onbedachtzame gelofte, en daarop volgend bedrijf met zijne eenige dochter, die hij, gelijk de uitkomst hem, tot zijne bittere ontroering, leerde, den Heere moest toewijden, 't'zij ten dood, of ten dienst van het

Hei-

Sluiten