Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jf ZINGHA,

Dan dat ik niet op 't klaarst zijne inborst zou doorgronden;

Eerzuchtige Aroch toont in dees gefteltenis,

Dat zijn geleden hoon hem niet vergeten is,

Na Zingha, met de roede, onmenschlijk hem deed ftraffen;

Hoe gaern' zou zelf zijn vuist ons allen wraak verfchaffen!

Zijn ftriemen fpreken noch, en tergen zijne fpijt;

In 't kort, dit heldenpaar doemt in het hart een' ftrijd

Die beider tirannes, de roe' van dees gewesten,

Ter nieuwe gcesfeling meer vast in 't rijk zou vesten;

Doch fchoon hun beider hart voor mij wierd bloot gefield,

Ik heb van ons ontwerp geen enkel woord gemeld;

Ik heb dat opgefehort tot in die oogenblikken

Waarin, raar onzen wensen, het lot den ftrijd zal fchikken.

Hoor mijn ontwerp, mijn vorst! Wij moeten onze magt,

In fchijn tot Zinghaas hulp, met fpoed bijéén gebragt,

Die benden die wij fteeds met achterdocht befchouwden,

"Van die der tirannes met kunst verwijderd houden;

Men leegre zich alleen van verre in haar gezigt,

En werke alsof men 't all' ten dienst van haar verricht'.

Zodra de legers zich vermengen onder 't ftrijden,

En wij de dwinglandes daar bij zien nadeel lijden,

Dan flook' men, om met ons naar wisfe wraak te ftaan,

Den haat in Timoers hart cn dat van Aroch aan:

Die helden, dubbel waard' aan 't hoofd eens heirs te treden,

Zien zich door 't oorlogsvolk als vadren aangebeden,

En dus trekt hunne wrok, ten dienst van u en mij,

De benden, hen vertrouwd, terftond op hunne zij',

Daar ze in hun heete drift zich doen voor Zungo hooren;

Men vall' dan Zingha aan, en ze is gewis verloren;

D02

Sluiten