Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t ü 29 I f

looit Honig zonder yk ; nooit Bye zonder vlim, Nooit welluft zonder ftnert, nooit leven zonder fchirrï,, De Minnaar die verdoolt den Honig meent te freaken. Valt al te haaft in 't net, en in der Byen kaken. Een yder zy bedagt dat d'avond heeft zijn morgen i Dat yder heeft zijn beurt , en yder dag zijn zorgen, Nu Regen , en nu Zon , nu hen' en weder kou, Nu vrolijkheid en vreugt, dan treurigheid en rou.

Elk by 't zijne, Wie met een ftout gemoed zijn meerder wil veragten, En boven zijn beroep na heerfchappije tragten, Van yder word befchimt. Dit is de befte man, Die zijn vertrouwde ftaat met lof bedienen kan. Gy die tot hoger ftaat, nog ampten zyt verkoren, Laat u onwetend bieyn aan geen menfchen horen, *Us of gy woud de Goön gaan rukken uitter hand, Den Scepter en de Kroon , en dwingen 't gantfe Land. De Uyl en is geenValk, de toom en maakt geen Paard , Het kleed en maakt geen Man , nog ook de fcheede \ Zwaard.

Dat yder zijn beroep met reden wift te dryven, Een yder zou geruft in zijn beroeping blyven, ün tragten na geep ftaat, na tytels of na pragt, Want plompe hovaardy word oveial veragt.

Eetadragt maakt macht. Houd eendragt als een fchat, dat alles gaat te boven, En poogt dat fno gefpuys , de bitterheid en haat, Te dry ven uit uw Ziel. Hy is waard om te loven, Die tuffchen liefd en vrees regeert dees woeite ftaat. Gelukkig, waar der Landen ftut Is met fo fterken wal befchut: Gelukkig is der Landen ilaat, Door trouwe magt en wyfe raad, En waar men na de welvaart tragf, En op der Volken vryheid agt, " En

Sluiten