Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MET 0PZIGT TOT DEN GEEST EN HET HART.

23

men roept hem te vergeefs. Men meent zynen gang, dien bekenden gang, te horen, en men hoort hem niet. Alles fchynt ons dood en wy zyn dood voor alles. De eenzaamheid omringt ons van alle zyden. Overal menen wy, met ons bloedend hart, alleen te zyn. Wy verbeelden ons, in onze neêrflagtigheid, dat er niets meer is, dat ons bemint, en dat wy niets meer beminnen; en een leven zonder liefde is voor een hart, dat bemind heeft, de fchriklykfte dood. Ook wil de ongelukkige, dien deze rampipocd getroffen heeft, eenzaam leven en fterven. In deze wreede oogenblikken , in dezen fnellen overgang van het toppunt van geluk tot de overmaat van pmpfpoed, ziet hy niemand, die hem eene meedogende hand reikt, die in zyn Iyden deelt, die er zig zelfs een denkbeeld van vormt; want het is een verlies, het welk men niet kent,, dan na dat men het gevoeld heeft.

Maar hier is de zegenpraal der eenzaamheid; hier kent men al haare voordeden; daar is geen kwelling, -geen droefheid, welke zy niet verzagt en eindelyk geneest, als men een verftandig gebruik van haar maakt.

Om de waarheid te zeggen, deze genezing komt langzaam en by trappen. De konst van met zigzelven te leven is aan zo veele ondervindingen vast, op zo veele onderfcheiden ongevallen gegrond en op zulke byzondere omftandig-i B 4

Sluiten