is toegevoegd aan uw favorieten.

De roemzucht; in zeven hekeldichten.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERttEMZUCH'f. 2/

lauwer ook den wilg f» draageu. Niets heeft in de oogen van liberia zulk een' fchitterenden glans nis balddaadigheid, onbefchaamdheid en trouwloosheid ; als de jongeling die ilout dronk , grof fpeelde , zyn' man onder den voet (lootte , en op zyn geliefde de zege behaalde: voor hem, tot nog toe niet gehangen, fpreidt zy alle haar bekoorlykheden ten toon , drukt den lieven lichtmis in haare armen, en verfchaft hierdoor den man van verdiensten , hoe zeer ook federt lang mishandeld, een volkomen wraak f». Zo gy, in toorn, een vrouw iets kwaads wilt wenfchen, laat haar dan flechts een oogenblik over aan haar eigen wil.

Ginds verfchynt in ftatie de teder kwynende rozalinde , welke niet geboren wierd om haar eigen last te draagen. Zy leunt en ilruikelt en waggelt , tot eenige vreemde hulp de krachtelooze fchoone weder tot haare natuurlyke gellalte optilt. Wanneer zy flrengelyk hiertoe gedoemd wordt, onderneemt zy de reistogt door de zaal , met gepaste tusfchenpoozen van rust; doch daar zy best haar eigen zwakheid kent, is zy wanhoopig de Alpen te beflygen, dat is : de trappen op te klimmen, Laat anderen , min af-

keerig

O) De Heer beert heeft met voorbeelden uit de Engelfche Dichters bewezen , dat by hen de wilgen niet zelden als een zinnebeeld van verongelukte en wanlioopige liefde voorkomen.

(v) Zeer waarfchynlyk had hier onze Dichter de volgende plaats van bruyfre in het oog. Les belles filles font fujettes a venger ceux de leurs amans qu'elles ont maltraités , ou par de laids, ou par de vieux , au par d'iniignes manu Chap. III

F 4