Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35*5 korte aanmerkingen

taaien het, hoerekind, de onzen bastaard, doch men verfta door, hoerenkind, zoodanig iemand, die een kind is van eene allemans, of openbare hoer, en, dewijl die in Israël niet geduld mogten worden, denke men aan iemand, die uit een vreemd volk oorfpronglijk is, en wel allerbijzonderst aan eenen,wiens moeder zich, ter eere van venus, of eene andere Godheid, openlijk aan allen overgaf, hoedanige voorbeelden mm in den afgodsdienst der Heidenen ontmoet.

vs. 3. ènz.] Men moet hier opmerken, dat 'er, in een burgerlijken zin, van deze volken gefproken wordt, en van het fchenken van het Israëlitisch burgerrecht.

vs. 6. Hun welzijn zoeken.] Dit moet men niet uiiftrekken tot eenige bijzondere perfoonen, maar tot den gantfchen ftaat. — De Israëliten moesten de Ammoniten en Mo&biten, wel niet vijandlijk aantasten, maar zich ook niet naauw, door verbonden, en onderhandelingen of verdragen, met hun verbinden.

vs. 7. Edomiten.] 7a\ hadden wel den doortogt door hun land geweigerd, doch verders den Israëliten op hunne reizen door de woeftijn geen leed gedaan.

Egijptenaaren.] Deze hadden wel, in de laatde jaaren van der Israëliten verblijf in hun land, hen zwaar gedrukt, maar te vooren hadden de Israëliten daar herbergzaamheid en weldaaden genoten.

vs. 8. In het derde geflacht.] Het oogmerk van den Wetgever was, over het geheel, de Israelitifche Natie, zoo veel mooglijk, afgezonderd te houden van de vermenging met andere volken, daarom wordt het verkrijgen van het burgerrecht voor vreemdelingen zoo moeilijk gemaakt.

vs. 9-14.J