Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over psalm CIV. 1-2. 365

grootfche natuur bewonderde en bezong. — Ik noem dezen psalm prachtig, liever, dan verheven, omdat de verhevenheid van denzelven meer in de voorwerpen , die de grootfche Natuur aanbiedt, dan wel in de bewoordingen of wendingen des Dichters gelegen is. — De menigvuldige voorwerpen in de Natuur worden allen door den Dichter, zoo als de befchouwing der Natuur ze hem aan de hand geeft, aangegrepen, om daar uit jehova's lof te doen rijzen, doch hij roert deze voorwerpen Hechts aan, hij tekent ze niet uitvoerig, hier zijn alleen groote en ftoute trekken.

vs* i. Loof, mijn zieil enz.] De Dichter, die een opmerkzamen blik werpt op de fchoone en prachtige Natuur, wordt daar door met eerbied en dankbaarheid voor jehova doordrongen, zoodat hij zich zeiven tot den lof van den grooten Schepper opwekt, en terftond den volgenden Lofzang aanheft.

vs. 2 ] Prachtig is deze fchildering van jehova's majefteit. Door het licht, het eerfte der fcheppingswerken, openbaarde God de Schepper zich het eerst; het is zijn ftaatziekleed, daar hij, de Koning van het Heel-al, mede bekleed is. — Terwijl de hemel door den Dichter wordt aangemerkt , als het gordijn, het welk bij de Oosterfche Vorften voor de vertrekken hangt, in welken zij hunnen troon hebben, om,door niet, dan zeer zeldzaam, zich te vertoonen,zoo veel te grooter eerbied voor hunne majefteit te verwekken. «— paulus drukt het denkbeeld dus uit, dat God een ontoeganglijk licht bewoont. 1 tim. VI. 16.

Sluiten