Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

» E R ZEELIEDEN 137

Van de Tandpijn.

De geenen die bij ondervinding de tandpijn kennen, weeten belt hoe Mig dezelve zij , en hoe zeer men om verhgting der zelve wenfcht. Geen menfch kan aandagt bij zijne bezigheden houden, wanneer het lichaam door pijn gekweld word; en hevige tandpijn is genoeg om lichaam en geeft beiden te oncrus-

mk? D°Ch Wat tC d°en tegen dk Iaftig on§e"

De Tandpijn is van tweërlei foort; fomtijds

ontftaat ze uic koude, fomtijds uic bederf der cand; ook wel uic beide die oorzaakcn famen. Is de cand bedorven, hoe eer men hem dan kwijt is hoe beter; maar indien de cand gezond is , zoude het even zoo onredelijk zijn de cand uic ce crekken, als

gïvoêlc °VCr b001'd tC fraijCen' °m daC hij de P-j" Dan wanneer het noodig is de tand uit te trekken , gaat men op volgende wiize te werk

Men onderzoekt eerft welke tand hec zij, en fchuift den haak van het tand inftrument op die plaats daar ze behoort. Gemeenlijk moec de haak inwaards en de kam uicwaards zijn. Die gedaan zijnde wind men een klem doekje om den candfleucel, opdat dezelve hec candvleefch minder drukke en kwee

f«l£T VerV^.fns zette men den lijder op een kagen ftoel of kift, (laate hem zoo hij kleinzeerfe is door eenen anderen de handen vafthouden, doch bij een hardvogcig man , is zulks niet noodiV) en

tPandtSm?hegCVr F* _dan W m™ ^ tand met hec inftrumenc , deszelfs haak aan de

binnen zijde en de kam aan de buiten zijde van den tand plaacfende: de haak moec digc aan hec candvleefch een weinig naar hec kaakbeen toegefchoven I 5 wor-

Sluiten