Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER BEIDE INDIËR 495

t-yd gelchat op het derde gedeelte van het beloop der verkoopingcn.

Deeze uitvoer zou nog veel aanmerkelyker geweest zyn ; indien de Maatfchappy zich hadt gehouden aan de Wet, haar door haar Handvest opgelegd, om aan Nationaale of inlandfche Koopmanfchappen uit te voeren de waarde van het tiende gedeelte van hetgeen zy aan Geld in haare fchepen laadde. Aan Tin , aan Lood en aan Engelfche Lakens heeft zy , ten allen tyde, voor veel aanmerkelyker fommen verzonden , zonder hier onder te rekenen de voordeelen, welke zy in Indie deedt op het Zweedsch en Biscaaisch Yzer, en op andere goederen, welke zy uit verfcheide gewesten van Europa ontving.

Haare deelgenooten, met oogmerk om haar wederom in te wikkelen in de algemeene agting, welke haar vry algemeen ontzegd was5 hebben dikwyls beweerd , dat dit Genootfchap even veel Geld deedt in 't Land koomen, als het na buiten vervoerd hadt. Dit voorwendzel wierdt met zo veel hevigheids beftreeden * in het begin deezer Eeuwe , dat de Regeering dit gefchil zyner aandagt waardig oordeelde. Zy bevondt, dat zedert het laatst van December des jaars 17(2, tot aan het laatst van December des jaars 1717, ui* het Koninkryk voor Indie waren gegaan 5 volgens opgaave é twee Millioenen drie honderd zes en dertig duizend honderd vyf en dertig Ponden. Zy hadt reden om te denken, dat het Geld, hejmelyk uitgevoerd^ ten minften de helft dier fomme beliep; zo dat men geloofde , niet bezyden de waarheid te zül-

ll & isa

in.

BOEBU

Sluiten