Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI. Afdeel.

III. Hoofdstuk.

XX.

Agroftis Indica. Indilch.

1 i

] ( i

t

li ti & i

225 DUEMANNICÏ

de Pluim uit eene Scheede voort en vertoont zig als een Aair van gladde Bloemen , puntig naar boven, te famen genoopt, Deeze Bloemen beftaan ieder uit een fpits Kafje, het andere omvattende, beiden den Kelk uitmaakende , zeer hard , dik en glad, geelachtig van Kleur, waar binnen twee zeer dunne witte Vliezige Bloemblaadjes. De Meelknopjes en Stempels, beiden rosachtig, verfieren de Aair, zynde de eerften zeer groot, de anderen byna Takkig ruig, en als Wormpjes zig daar buiten aan vertoonende. Ziet by a dc vergroote Afbeelding van een deezer Stempelen, als een der Kenmerken van dit Geflagt.

(20) Struisgras met een famengetrokkene ongebaarde Pluim en zyde/ingfe opfiaands Trosjes overhoeks.

Dit Indifche wordt befchreeven , als heb)ende een opgeregte Halm en fmalle vlakke Blaien: de Pluim langwerpig uit zydelingfe over- ' loekfe Trosjes beftaande, die digt tegen de ïfaat aangevoegd zyn , hebbende zeer korte pitfe Kafjes. Dat van Sloane, op Jamai-

ka

C20J Agroftis Panicula contrafti mutica, Racemis lasralibus ereftis alternis. Sp, Plant. 13. Gtamen Secanum Induw. , Sp. graciH tomentofa, Ariftis longis in«tis. Pluk. Alm. i75. T. 191. f. 5. Gr. Prat. Panic. : Foliis anguftisfimis &c. Sloan. Jam. 35. Hifi. I. » 15- T. 73. f, 1. BüRM. Fl. Ind. p. 27.

Sluiten