Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i COR. IV: vs. 20. êf

ést het geene liefde, maar wel'onverfchilligheid of Vijandfchap tegen 't Godsrijk, zijn kan, dat men, nopens Jefus en zijn Koningrijk, niet gaarn hooren Of fpreeken wil; en ach! was deeze aanmerking voor mijne H. eene toets, waar aan zij wel beöordeelen wilden, of, en in hoe verre, hun hart met Vorst Immanuel en de belangen van het Rijk der zaligheid verëenigd is.

Trouwens, en dit is eene derde aanmerking. „ Is „ het Koningrijke Gods niet in woorden, maar m „ kracht; dit brenge ons tot zelfsönderzoek, en „ doe ons daar naa ftaan, dat wij, in waarheid eis „kracht, 'sHeilands onderdaanen zijn."

Komt, om onzer ztelen zaligheid, ons hart, onze wegen, onder het alziend oog van Jefus en zijnen Vader, onderzocht.

Wij zijn den Heere Jefus, en zijn Koningrijk uiterlijk door belijdenis toegedaan; maar wat doet ons hier in Jefus aanhangen?

Heeft de waarheid voor ons eenig belang ? zijn wij van haare zekerheid overtuigd? zou liefde tot Jefus en zijne Euangelieleer ons doen ijveren ea wat verdraagen, bij verleidenden of verdrukkende* têgenftand?

Geloof in Jefus Christus doet ons ingaan in dit Koningrijk, en onderwerpt ons aan Sions verheerlijkten Vorst; hebben wij dat geloof? Denkt gij het? Wel! zou 't ook maar voorgeeven zijn? Gij belijdt U, een zondaar te zijn, maar kent gij U, zoo als God U kent, eenen vijand van natuure in 't Godsrijk , een' aanhoudend overtreeder? Vindt gij U, met alles, wat gij ook als Christenplig*

Sluiten