Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII-

Afdeel. U.

HOOFDSXU K.

Paardeftaart,

III.

Equifetum

palufire,

Moeras-

35 Beschrvving va1j

„ het geluid daar van zelfs kan hooren. De Zaadelyke Lighaampjes, naamelyk,bewee-

„ gen en draaijen zig , door een ingeboren

„ Veerkragt. De Kolletjes zyn byna allen voorzien met twee Pooten tot vyf toe ;

„ waar van het uiterfte end, gefpleeten , zig weder famenvoegt als een Strik. DieBeent-

" jes ontfpannen zig met een groote Veerkragt, en doen de Bolletjes , verfeheide

" Minuutcn lang, tot eenigen afftand huppelen. Dus overtreft deeze zeer gemeene

\', Plant alle beweegingen van het gevoelig Boomvaren en de Mimofa, grootelyks, in

„ vlugheid en aanhouding (*).

(3) Paardeftaart met eene hoekige Steng; het Loof enkeldhhderig.

Deeze Soort, die aan een taamelyk groote zwarte Aair , op de gebladerde Steng, kenbaar is, komt ook vry algemeen in Europa, en dikwils op vogtige Velden, doch ook wel

op

00 Hall. Ir. Helveticum. Opusc. Bot. p. 2S1.

(30 Equifetum Caule angulato, frondibns fimplicibns. Gort- Bttg.U. V 275- Eq. Setis fimpl. internodia vix fuperantibus R Lugdb. 496.. Fl, Snee. 835 . 929' Eq. Paluftre. Fl. Lapp. 392. Eq Paluftre brevioribus Setis. C. B. Püif 16. Tlieatr 242. 0. Eq. Paluftre minus po[yftachion, C. B Piu. 16. Prodr, 24. Ra]. Angl. III. p. 131. T 5. f. 3» Eq. Caule fulcato, Ramis mnltifloïis, Foliis indivifis. Hall. Helv, wkoat. 111. !?• 3. N> 1677.

Sluiten