Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des BIJBELS. L BOEK, III. HOOFDST. 19

ten, in het geen de Bijbel-ftijl van het Heel-Al in het gemeen, en van den Hemel bijzonder heeft; anders zouden wij kunnen aanmerken, dat inzonderheid de heilige dichters dit Heel-Al aanmerken als het Huis, de Tempel, het Heiligdom, in hetwelk de Godheid woont; het zij dan, dat zij hunne toefpelingen ontkenen van het eerfte draag- en vervoerbare heiligdom, den tabernakel in de woeflijn; waarop, bij voorbeeld, de fpreekwijze doelt, dat God de hemelen uitfpant als een'dunnen doek, en die uitbreidt, als eene tente, om te bewoonen. ps. CIV. 2. jes. XL: 22. Het zij, dat zij op den tempel oogen, wanneer zij dit Heel-Al aanmerken als een prachtig grootsch en vast gebouw, dat op zijne grondvesten rust; dan wordt bijzonder de Hemel bij de Opperzalen van dit wereldgebouw vergeleken. a mo s IX: 6.

Wjj (lippen ook niet dan enkel in het voorbijgaan aan, dat de bewoording van „ Hemel en Aar„ de ", dikwijls in eenen onëigenlijken zin genomen wordt, niet alleen voor de redelijke inwooners van dezelven, maar ook bijzonder voor de gefteldheid van zaaken op deze onze aarde; dus fpreken de Profeeten in eenen leenfpreukigen zin van eenen „ nieuwen Hemel en eene nieu„ we Aarde", waardoor zij niet anders te kennen geven dan eenen vernieuwden en volmaakteren toeftand van het menschdom : jes. LXV: 17. LXVI: 22. 2 petr. III: 13. oPENi?. XXI: 1. Het zij dezelve nog voor den laatften algemeenen oordeelsdag te wachten zij, het zij daardoor de toekomende heilftaat der gelukzaligen worde aangeduid, waaromtrent de Bijbel-uitleggers verfclnllen en onderfcheidene onderftellingen' volgen, üehjk gezegd is, wij bepaalen ons tot de Aar* a de,

Sluiten