Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

532 AARDRIJKS-KUNDE

de plaats jer. II: 43. alwaar de godheid, met toefpeling op altijd vloeiende bronnen of wellen, en regenbakken, die dikwerf lek zjjn, en dus hun water verliezen, zegt: „Mijn volk heeft twee boosheden gedaan,mij, den fpringader van levend water hebben zij verlaten, om zich zeiven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden." — De Arabieren weten zoodanige bakken, na dezelven met regenwater gevuld te hebben,, te verbergen, door derzelver monden en openingen met de aarde te ftoppen en met den grond gelijk te maaken, waar bij zij dan zeker merkteken ftellen, aan het welk zij die, terwijl zij aan anderen onbekend blijven , weder kunnen vinden. Zulk eene verborgen bron of waterbak fchijnt het geweest te zijn, welke hagm, door godljjke beftuuring, ontdekte, toen zij in de woeftijn met haaren zoon ismacl gevaar liep, om van dorstte verftnachten, gen.XXI: io.(*) — Men vertoont nog hedendaagsch in het Oosten verfcheiden zoodanige bronnen en putten, welke naar aanzienlijke mannen den naam voeren, en ook in de Heilige Schrift voorkomen. Daar toe behoort de Jakobs-fontein , die ééne Engelfche mijl van Naplufa, of de oude ftad Sichem ligt, en die waarfchijnlijk dezelfde is, van welke joünn. IV: f. gewaagd wordt; de fontein van eliüs, die op de westzijde van den berg Karmel is, de fontein van Jizrcel; de verzegelde bron of fontein van salomo, ongeveer een vierde van een mijl van Bethlehem, en meer anderen. — Het is van belang, 1 dit alles op te merken, omdat in krijgstijden de legers doorgaands in Paleeftina verzameld worden of zich nederilaan bij zoodanige fonteinen of bronnen

(*) faber. Arch. dér Hebr. S. 126. volgff.

Sluiten