is toegevoegd aan uw favorieten.

Aardrykskunde des bybels.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des BIJBELS. IV. BOEK, V. HOOFDST. 105

„ eindigende aan den Jordaan. — Dan keeren de „ grenzen westwaards naa Aznoth - Thabor, en „ loopen van daar na Hukkok, zich uitftrekkende ,, ten zuiden tot aan Zebulon, ten westen tot aan „ Afer, en ten oosten tot Juda aan den Jordaan." VS. 35- 39- wordt vervolgends eene lijst van Steden van dezen Stam opgegeven.

Ten opzichte van deze grensbefchrijving , is het duidlijk, dat, in 't gemeen, de Stam Nefthali ten westen tegen Afer, en ten zuiden tegen Zebulon grensde; als ook dat de Jordaan de grensfcheiding ten oosten uitmaakte, dat is, de kleine Jordaan, zoo als die rivier genoemd wordt, van haaren oorfprong, tot daar ze in de zee Cinnereth, of het meir van Galileë valt (I. Deel. Bladz. 432.) Maar, hier is eene groote zwaarigheid: hoe kan Nafthali jos. XIX: 34. gezegd worden, „ ge-

reikt te hebben tot Juda, aan den Jordaan?" ,, Bijaldien men, zegt de Heer bachiene (*) dit yan den Stam Juda verflaat, (gelijk, in den beginne, niemand anders denken zou) fchijnen hier verfcheiden dingen tegen de H. Landbefchrijving aan te lopen. 1. De Stam Juda kan in 'c geheel niet omfchreven worden, als gelegen aan den Jordaan, maar aan de Zoutzee, in welke de Jordaan uitwatert. 2. Ook kan Nafthali, met geene mooglijkheid, aan dit Juda reiken, dat is, daar aan grenzen, vermids hetzelve, door vier tusfchen beiden gelegen Stammen, Zebulon, Isfafchar, Efraïm, en Benjamin, daar van afgefcheiden was. 3. En eindelijk, allerminst, kon Nafthali aan Juda reiken tegen den opgang der Zon of het oosten ; dewijl Juda bijna rechtftreekjï ten

zui-

( * ) i. Deel. JJ. Stuk. bladz. 571.

GS