Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234 AARDRIJKS-KUNDE

razim, fchoon in de nabuurfchap van het dal der Refaïten, is echter dat dal zelf niet, want de Filijiijnen togen cp na Ba'dl-Perazim i chron. XIV: ii. wanneer david hen overviel. 2 sam. V: 20.

Kort daarna hervatten de Filijiijnen den toeleg op de Hoofdftad, en legerden zich weder in het gemelde dal Refaïm, doch, nu overviel david hen van achteren van den kant der Moerbeziënhoornen, en floeg hen van Geba af tot naa den kant van Gezer. Het woord Becaim, hetwelk gemeenlijk door Moerbeziënboomen vertaald wordt, 2 sam. V:23- houdt de Ridder MiCHAëLis hier voor eenen eigen naam eener plaats Becaim , wedte echter haaren naam zou hebben naar de Becaïm, niet Moerbeziënboomen, maar eene plant, die onder den naam van Beka - plant of ftruik, nog heden bij de Arabieren bekend is, en bij Mekka overvloedig wast, zijnde, volgends de befchrijving van eenen Arabijchen fchrijver abulfad11, gelijk aan den balfemboom van Mekka, maar gróoter van blad, en vrucht, die ook ronder is, doch van welke wij tot hier toe nog geene Botanifcke befchrijving of afbeelding hebben. (* ) — De Filijiijnen moeten verders,, dewijl david hen van achteren overviel, noordwaards op gevlucht, en door eenen omweg na hun land gekeerd zijn, dewijl david hen vervolgde van Geba, in den Stam van Benjamin, tot Gezer of Gazer. Zie van deze laatfte plaats IV. Deel. Bladz. 199. ' Vervolgends haalde david met eenen plegtigen optogt de bondkist op van Kirjath - Jedrim, 2 sam. Vf: 1. Baale-jfuda genoemd. Vergelijk

het

(*) michacl Suppl. ad lex. Htbr. Part.l. pag. 173, Vergelijk ons I. Deel. bladz. 344.

Sluiten