Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228 GESCHIEDENIS

XVI.

BOEK.

door het gezag van een éénig Opperhoofdniet aan elkander verbonden waren, werkten niet te zamen tot het algemeene welzyn 5 met die zamenfpanning van poogingen en die eensgezindheid van gevoelens, die alleen den goeden uitflag kunnen verzekeren. De tyd om te werken wierdt gefpild met ydele gefchillen tusfchen de Volkplanters en de Landvoogden. Ieder Ontwerp van Krygsverrigtingen, dat door de eene of andere Vergadering wierdt afgekeurd, wierdt verworpen. Wierdt men het eens omtrent een Ontwerp, het wierdt rugtbaar voordat het kon volvoerd worden; en dit rugtbaar worden was dikmaals de oorzaak , om welke het mislukte. Eindelyk lag men met de Wilden onherftelbaar over hoop.

Deeze Volken hadden, ten allen tyde, eene in 't oogloopende voorkeuze aan Frankryk gegeeven. Dit was eene foort van vergeldinge, welke zy oordeelden fchuldig te zyn voor de oplettendheid, hun betoond, in het zenden van Zendelingen, welke zy veeleer befchouwden als Ambasfadeurs van den Vorst, dan als Gezanten van God. Deeze Zendelingen, de taal der Wilden leerende, zich naar hun karakter en naar hunne neigingen voegende, en allerlei bekwaame middelen te werk ftellende om hun vertrouwen te winnen, hadden, door dit alles, eene volftrekte magt over hunnen Geest verkreegen. De Franfche Volkplanters, verre van hun de Zeden van Europa te doen aanneemen, hadden die van het land, welk zy bewoonden, aangenomen y als mede de werkeloosheid

dee-

Sluiten