Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEN GEEST IN HET GEBED 27

twyfteling omtrent den almagtlgen, alwyzen, en algoeden God; Hem kunnen derhal ven uwe ver zoeken ook niet behaagen, wanneer gy ze zonder een vast vertrouwen tot Hem opzendt, en dat leert J e s u s u in zyn gebed.

Maar hoe zeer men ook een vast vertrouwen op Gods magt, wysheid, goedheid en bereidvaardigheid tot verhooring daarin op zal merken, wanneer men er maar acht op flaat, men zal er echter niet minder diepen eerbied, en waare democd voor God in door zien fchitteren. De bidder, die God hier zynen vader noemt, en Hem, als zynen vader vertrouwt, gevoelt toch ook zyne nederigheid en onwaardigheid voor God, en bidt om vergeeving van zyne zonden, die den Alrerheiligften mishaagen. De bidder, die zich hier als Gods kind beichouwt, gevoelt toch ook zyne zwakheid, zyn onvermogen, en bidt om bewaaring voor verzoekingen, en verloflïng van den Boozen. Hy heeft er een duidelyk begrip van, dat hy zonder God en zynen byftand niets, maar door Hem alles vermag; hy rekent niet op zyne bekwaamheid, op zyn verftand i op] zyne vlyt, op zyne vrienden; neen, het is God, God is het alleen, van wien hy dagelyks brood, en vervulling van alle zyne nooden , en voortgang ia de godsvrugt bidt en ook verwagt. Hy beeldt

zich niet in, dat hy by God eenige verdienftè heeft, dat hy zichzelven helpen, zichzelven befchermen kan. Hy zoekt de zonde te vermyden, en Gods

wil

Sluiten