is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanmerkingen over den leertrant van Jesus, met betrekking tot de denkwijze en het spraakgebruik der jooden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïoS OVER DEN LEERTRANT

waren zij hersfcnfchimmen van het volk geweest, niet had willen beftrijden — dat Jesus zegge ik, juist hier dezelven niet heeft tegengegaan, daar Hem hier de beste en gevocglijkfie gelegenheid daartoe voorkwam. Hij had immers maar vrij uit behoeven te zeggen: Gij dwaalt: 'er zijn geen daemonen, noch 'er vinden geene daemonifche werkingen op de menfehen plaats: dan was de lastering op eenmaal' wedcrlegd, en als de ichandelijkfie , allerdwaafle en voor Hem niets betekenende leugen voorgefteld geworden. Maar in plaatze van dat redeneert Hij over de zaak zeer bedaard, leidt 'er gevolgen uit af, wederlegt ze zoo, dat Hij het beflaan des duivels niet alleen toegeeft, en ondcrftelt, maar nog bovendien bevestigt. ( * )

Wanneer Jesus het tegenövergeftelde betwist wanneer Hij beweert, dat het eene dwaaling zij, eene zekere waarheid niet aanteneemen, dan is dit wederom een kenteken, dat zij niet is aangenoomen uit toegeeflijkheid, voor dwaalende Volks - gevoelens; en dit kenmerk vindt men juist bij zoodanige leeringen , die bij verfcheidenen der nieuwere Schrift-onderzoekers aangemerkt worden, als bloote accomodatiën, waarin Jesus zich gefchikt heeft, naar den dwaalenden denktrant. Bij voorb. Matth. XXII: 29. Zegt Hij tot de Sadduceeuwen, die de Opftanding loochenden r Gij dwaalt en kent de fchrift niet, noch de kragt Gods. Hij gaat hier hetgeen zij beweerden, te weeten: dat 'er geene opftanding zij, tegen; Hij noemt hunne vraage, welke zij deswegen opgeworpen hadden , en hun geheel gevoelen eene dwaaling; hij betuigt hun, dat zij de kragt van God, waardoor Hij" de dooden opwekt, en in dien ftaat fielt, waarin zij komen zullen , t'eenemaal niet kennen. Hoe kon Hij nu, indien Hij flechts uit infchiklijkheid de op-

ftaiv

<;*) Zie Storrs Disp. de fenfa hiftorito. p. 25.