Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

468 VERKLAARING VAN DE

Hij is een trotfche dwaas, die niets wil gelooven, al heefc God het zelf geopenbaard, a indien hij het met zijne reden niet begrijpen kan; cn dit is vooral aftekeuren, ten aanzien van het geen in den oneindigen God plaats heeft. Maar men zoude de

aanbidders van den afgod der Reden gelegenheid geeven, om met recht te lasteren, indien men in 't geheel niet redeneeren--wilde over de waarheden van den Godsdienst, overeenkoomstig de Godlijke

Openbaaring, en daar uit afgeleid; ■ indien

men zijne gewoonte maakte, om de behandeling der waarheden, dan eens te wijsgeerig, dan weder niet wijsgeerig genoeg, aftemaalen, naar dat het met zijn lecrfteliel al of niet ftrookE, cn aan. het zelve voor- of nadeeiig is. Dan zoude men reden geeven, om zulk een voorwendfel, als voordkoomendc uit verlegenheid met zijne zaak, wettig te moogen maaken.

Welk eene klaare, duidelijke, en onderfcheiden geloofskundigheid heeft onze Geloofsbelijder , van den Weg, waar in, van den Perfoon, door wien, hij alleen konde en moest verlost worden uit zijnen ellendigen rampftaat; gehaald uit het geen God hem van achteren, van zijne Verlosfing .en van den

Verlosfer, in zijn Woord geopenbaard had!

Welke hooge en verheven befeffen moeten niet in zijne ziel geweest zijn, van dat groote en allerbelangrijkfte Werk der Voldoening door een' ander in zijne plaats! *<< Hoe verrukt, verbaasd, verwonderd moet hij geweest zijn, over zulk een gewigtig Werk zijner herftelling, en wat daar toe al vereischt werd; zoo dat een die te faamen God en

Mensch

Sluiten