Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AGTTIENDE VRAAGE. 47!

Merkt men dit op, dan zal men de onderzoeking en belijdenis der voorige Waarheden niet voor overtollig , onnut, of onnoodig houden, gelijk fommigen denken ; oordeelende , dat men zich maar eenvouwig bij deze Vraage moest bepaald hebben, terwijl de Geloofsbelijder toch van vooren van alle die voorige Hukken niets weeten kon(je. —— Maar ik hebbe al meer dan eens getoond, dat de grond van die redenkaveling valsch is; dat hier niets van vooren bepaald wordt; maar dat men den Christen gelegenheid geeft , om te toonen, dat hij uit het geene hem van achteren van God geopenbaard was, eene zekere geloofskennis verkreegen had, van den eenigen weg, waar in, en den eenigen Perfoon door wien, hij konde verlost worden. En die kennis, en erkentenis was waarlijk noch onnut , noch onnoodig.

Wat andwoordt nu onze Geloofsbelijder op deze Vraage? Hij zegt zeer volvaardig: Onze Heer Jefus Christus, die ons van Gode tot wijsbeid, rechtvaardiging, heiligmaaking, en tot eene volkomen verlosfing, gefchonken is.

Hij belijdt te gelooven , dat er waarlijk zulk een Middelaar, en dat met naame, duidelijk, klaar, en ontwijfelbaar zeker, bekend is; — dat deze Middelaar van God zeiven aangefteld en verordend is; - dat God zulk eenen Middelaar aan ons gefchonken heeft , tot alles, wat wij ter. zaligheid noodig hebben.

Dit Andwoord ademt een leevendig geloof. Hij kent en, erkent .deze belangrijke , van God Gg 4 aan.

Sluiten