Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Deel. IX. Hoofd.

5°3

was; zo keert hy zig tot deze, en toont, dat zeer bedroefde tyden, inzonderheid veele valfche Leeraaren vóór dezelve zouden ontftaan. Uit dit alles maakt hy eindelyk het befluit op, dat ze in de eens aangenomen Leer moeften volharden, en de Leeraars behoorlyk onderfcheiden, eindigende met de ftelling , dat de Euangelie-leer toereikend is, om bet hart geruft te ftellen, het welk hy met zyn eigen voorbeeld bewyft.

In dezen brief komen weêr verfcheide fpreekwyzen voor, die op 't inwendige der Gemeente haare betrekking hebben, en 'er uit moeten verklaard worden. Ik 'zal ze in 't vervolg tragten op te helderen.

IX. HOOFDSTUK.

Brief aan Tfrüs.

Deze briefis wel aan één' Perzoon alleen gefchreeven ; doch raakt teffens de ganfche Gemeente, waar over Titus toen gefteld was. (v) Weshalvèn ik eenige dingen aangaande dezen en de Gemeente der Cretenfers te boek zal ftellen.

Titus was een gebooren Griek, waarfehynïyk van Corinthen geboortig , welke , zonder befneeden te zyn, het Chriftendom hadt aangenomen, (w) Het Karadter dezes mans fchildert ons de Schryver van de Karakterkunde des Bybels; en het is noodeloos,

dat-

(v) Michaelis inleiding enz. 2 Deel § 190. bladz. 613. (¥) Michaelis inleiding enz. 2 Deel § 190. bladz. 614. Ii 4

Sluiten