Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jo6 Brief aan Titus.

fchreeven. Doch, dewyl dit onderzoek weinig invloed op myn oogmerk heeft, zo kan ik het daar laaten.

Paulus hadt wel deze Gemeente geplant, en ze in de zuivere Euangelie-leer onderweezen; maar hy hadt veel te duchten ; het nationaal Karacter deed hem reeds alles vreezen ; en daarby hadt hy gehoord, dat 'er valfche Leeraaren heen gekomen waren. «Hierom wenfchte hy fterk, Titus te zien, om hem te onderregten , hoe hy zig in zyn Bisfchops-ampt moeft gedraagen, waarby hy, voort, eenige noodige vermaaningen voegt.

Het noodigfte onderzoek in deze zaak is wel dit: wie waren deze valfche Leeraaren? Het is blykbaar genoeg, dat zy, die de Gemeente hier beroerden, Jooden waren, (c) want zy ftreeden over de kragt en wettigheid der Mofaifche wet. Deze hadden met de valfche Leeraaren te Ephezen veel gemeen, vooral ook omtrent hunne zonderlinge uitlegging der joodfche gefaglregifters. Dat hier niet regelregt de Genealogien der Monen moeten verftaan, maar gemelde joodfche geflagtregifters aangenomen kunnen worden, zien we uit den Targum, waarin de vremdfte verklaaringen en aanmerkingen voorkomen, wanneer de geflagtlyften in de boeken der Chronyken verklaard worden, (d) De overige gevoelens dezer valfche Leeraaren laaten zig ook niet met de Genealogie'n der Monen overëen brengen. Gelyk dan

ook

(e) Michaelis 1. c. 2 Deel. § 192. bladz. 629. (d) Michaelis 1. c. 2 Deel. § 192. bladz. 630.

Sluiten