Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V IJ F EN VEERTIGSTE VRAAGE. 507

den, van'alle "dié nuttigheden van Jefus Opftanding. — Hier toe is eene bloote belijdenis des geloofs aan die Waarheid niet genoeg ; zonder dat men waarlijk gelooft, met het hart, in Jefus, als opgeftaan uit de dooden. — Ik zegge waarlijk gelooft; en daar in bedoel ik, een waar geloof tot zaligheid. Allerlei geloof is hier niet genoeg. Men zou door een natuurlijk geloof, gelijk men alle waarheden gelooft,op redelijke gronden van zekerheid, ook deze Waarheid van onzen Godsdienst , op de zekerfte gronden van Gods onfeilbaar getuigenis in zijn Woord, als waarheid kunnen gelooven; ook zou men even zeker kunnen gelooven, dat Christus Opftanding alle die nuttigheden had voor den geloovigen — en des niet tegenftaande, noch deel noch lot kunnen hebben in de eerfte en tweede opftanding. — Dat dit een moogelijk geval is, zal geen verftandig mensch met grond in twijfel kunnen trekken, of tegenfpreekcn. De ervaarenheid zoude hem daar in zelve befchaamen. — En echter zouden dezulken eene oprechte en welmeenende belijdenis kunnen doen, dat zij dit alles in waarheid geloofden, als eene waarheid. Dit kan ook niet ontkend worden. —• Het is dan niet evenveel, hoe men gelooft, als men alleen gelooft. ■—> Elk heeft zich derhalven in dezen oprecht en naauwkeurig te beproeven. Zijne zaligheid dringt hem daar toe; ook zijne zekere opftanding. Het is immers niet even veel, hoedaanig wij opftaan? —■ En dit onderzoek kan een oprecht gemoed voor God gemaklijk doen. Gelooven wij in Jefus, als opgeftaan uit de dooden,

met

Sluiten