Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZES EN VEERTIGSTE VRAACE. 513

fen, of ze ook in den hemel Hem nafpooren konden. In het laatfte lid, gebruiken zij te recht het woord heenen vaar en, als zij zeggen , dat zij dit gezien hadden; want zij konden alleen zien, dat Hij waarlijk heenen voer, en daar van moesten zij ook ooggetuigen zijn — maar dat Jefus waarlijk reeds in den hemel was, konden zij alleen uit een Godlijk getuigenis weeten.

Onze Christen zegt dan , dat hij gelooft, dat Christus, Gods Zoon, naar zijne menschlijke natuur, hoewel perfooneel vereenigd met den Perfoon des Zoons Gods, van de aarde in den hemel is opgeheven. Niet zijne Godlijke, maar alleen zijne menschlijke natuur, was voor zulk eene verandering van plaats vatbaar. Hoewel Hij , als de Godmensch, het Hoofd zijner uitverkoorenen, verhoogd en verheerlijkt werd tot eenen Vorst en Gebieder der volken. Hij begrijpt dan Jefus Hemelvaart niet in eenen oneigenlijken zin, als eene verheffing en verhooging tot eenen bovenhemelfchen uitmuntenden ftaat van heerlijkheid; deze was er, ja waarlijk, mede gepaard, maar dit was eigenlijk zijne hemelvaart nier. Neen; onze Christen denkt er anders over. De Hemelvaart moest iets zijn, dat zichtbaar was, waar van zij ooggetuigen waren. Die nu konde wel van de eigenlijke zichtbaare hemelvaart plaats hebben, maar niet ten aanzien van de luisterrijke heerlijkheid, tot welke de Godmensch, naar zijne menschlijke natuur, ten hemel opvaarende, verheven werd , en welke Hij in glinsterenden luister in den hemel ontvangen hrd van den Vader. Dit wisten zij alleen zeker door II. desl. Kk een

Sluiten