Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GODS GENADIG VERBOND MET DEN MENSCH. J

Zouden dan de fpreekwijzen: het verbond maaien, oprechten, ons een meer bepaald licht in dezen geeven, uit'kracht van de beteekenis dier werkwoorden? Dit kan men ook niet zeggen. Zeker is het , dat het woord ma door de onzen vertaald, maaken, uit kracht van zijne eigenlijke beteekenis, ziet op eene gewoonte bij de Oosterlingen; dat men, in het maaken van verbonden , beesten flagtte, in (tukken deelde, en de verbondmaakende partijen tusfchen de ftukken doorgingen. Men vindt daar van een voorbeeld, in Jer. XXXIV: 18, 19. Het welk alleen diende ter bevestiging van dit verbond. Echter vinden wij niets van het doorgaan tusfchen die ftukken, bij de verbondmaaking van God met Abraham; maar het . tegendeel, Gen. XV: 9, 10, .17, 18. Dus kan men hier uit ook niets bepaaldlijk in de-zen. befluiten. — Wat aangaat het andere werkwoord en a"pn het geen door de onzen vertaald wordt: het verbond oprechten; dit geeft ons ook al geene bepaaling, hoe deze fprcckwijze optevatten. Misfehien zou men dit woord, overeenkoomsfjg zijne nadruklijke en gewoone beteekenis, en meer voegzaam aan de zaak, waar van het gebruikt. wordt, beter kunnen vertaaien: Ik zal mijn verbond met u, tusfchen mij en tusfchen u, vast, zeker, onbewegelijk, onwankelbaar maaken. Ondertusfchen gebruikt Gods Woord die zeifdefpreekwijs niet alleen van Gods Verbond met menfehen, Gen. VI: %%f XVII: 2, 7. en elders; maar ook van Gods Verbond met redenlooze fchepfulen — en dat wel even gelijk als met den mensch.

A 4 Gen.

Sluiten