is toegevoegd aan uw favorieten.

Aaneengeschakelde verklaaring van den Heidelbergschen Katechismus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN EN NEGENTIGSTE VRAAGE. 429

— dat de eene tijd in dezen den anderen niet leert , bij een bekeerd mensch, alzoo Gods bedeelingen, heilig, wijs, goed, en getrouw, verwisfelen ; en dat er meenige fusfchenpoozen zijn , waar in een Christen, door veelerlei belemmeringen des vleefches, verhinderd wordt in het doen van waare goede werken — ja dat zelfs in zijnen besten Hand, het befmettend vleesch ligtlijk influipt in zijne beste werkzaamheden, en die bezoedelt. Ook heeft er dikwerf veel donkerheid, duisternis, en allerlei

woelingen des vleefches, in hem plaats. Hij

gelooft ook, dat er een groot onderfcheid is, tusfchen het geen de Heilige Geest in hem werkt, en tusfchen zijne eigen wérkzaame beoefeniugen; welken altoos met veel bijkoomend bederf belmet zijn. Echter, is zijn goed werk, zoo verre het een gewrocht van Gods genade in hem is, Gode aangenaam in Christus; terwijl al het gebrek, welk uit hem voordkoomt, door God genadig vergeeven wordt, in en om Christus, in wien God hem befchouwt; —- dat God echter, in alle zijne bedeelingen, zijne beminden volmaakt in alle goed werk; e. z. v. Hehr. XIII: ai.

Had onze Christen getoond , welk een gezond geloofsbegrip hij had van een waar goed werk; had hij getoond, dat goede werken te doen, behoorde tot de dankbaarheid aan God , en tot een Gode dankbaar leven, van wegen onze Verlosfing uit genade door Christus; had hij reeds be-

lee<