is toegevoegd aan uw favorieten.

Aaneengeschakelde verklaaring van den Heidelbergschen Katechismus.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE EN NEGENTIGSTE VRAAGE. 43!

Mij dunkt, elk een, die bedaard deze Vraag, en het Andwoord op dezelve, leest — althans, wanneer hij die in verband leest friet de voorige geloofsleer van onzen Christen — zal geen oogenbhk in twijfel ftaan, of men onderzoekt den Chris* ten, naar welke Wet Gods, zijne, en onzer aller goede werken, in dezen, en in alle volgende tijden, in de nieuwe bedeeling van Gods Verbond, moeten geregeld worden; en welke de inhoud van die Wfet is,' naar welke onze daaden moeten gericht zijn; wat ze van ons vordert, en waar in, volgens die Wet, al het goede van ons werk gelegen zij? Mij dunkt, dit is van zeiven zoo klaar, en door zichzelven blijkbaar, dat het geen betoog noodig heeft. Niemand toch, die den Christen eerst hoort belijden, te gelooven, dat onder de vereischten van een goed werk zeker ook in deze

dagen van het Christendom dit behoort, dat

het gefchieden moet naar de Wet Gods , en hem aanftonds daar op hoort Vraagen: Hoe luidt die Wet des Heeren, zal anders kunnen denken, dan dat hem afgevraagd wordt , welke die Wet des Heeren is, naar welke onze goede werken moeten gericht zijn ? waar ze te vinden^ en van welken inhoud dezelve is? Waarlijk, ik weet niet , hoé iemand anders zou kunnen denken of leeren, op wettige gronden. Is dit niet zoo; dan, dunkt mij, heeft noch de Vraag, noch het Andwóord, flot of zin, in verband der leere; en ik zou niet weeten, hoe anders zulk eene Vraag, en zulk een Andwoord, hier voegen en ftrooken zouden. ——- Is dit waar, gelijk ik geloove, zoo ik iets- zien kan; dan toont

on-