is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vijfde en drie volgende hoofdstukken uit Paulus brief aan de Romeinen, verklaard.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ioo VERKLAARING over het

is van onzen geest; en die ten onaffcheidbaaren gevolge heeft, dat zij door Hem geregeerd en beftierd worden ; gelijk ons lighaam geregeerd en beftierd wordt door onzen redelijken geest, die in het zelve woont. Deeze inwooning des Geestes eigent hier Paulus toe aan de Perfoonen, aan welken hij fchrijft. Hij zegt: dat de Geest Gods in hun woonde. Volgends het verband wil hij zeggen, dat dezelve in hun, die Heidenen waren, even zoo wel, en even zoo zeer woonde, als in de geloovigen uit de Jonden. Indien Adam ftaande gebleeven ware, zo zoude de Geest van God, die in hem woonde, gewoond hebben in alle zijne nakomelingen, zonder onderfcheid; dewijl hij het Verbondshoofd van die allen was , en ten deezen aanzien op allen eene gelijkmaatige betrekking had. Christus, de tweede Adam, die, even als de eerfte,. tot de uitvoering van zijn plaatsbekleederfchap , den Heiligen Geest ontvangen heeft , maar in veel hoogere maate, deelt dien Geest, op grond van zijne zoenverdienften, aan alle geloovigen , zonder onderfcheid, mede, uit hoofde van de gelijkmaatige betrekking, die Hij op allen heeft, als aller Verbondshoofd. Daar op doelende, zegt Paulus tot de geloovigen uit de Hei»

de-