Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3£ JEREMIAS II. VS. 3ï.

zoo kwaalijk bij Mij gevaaren? Hebt gij ooit ondervonden, als gij u aan Mij onderworpen hebt, dat lk u eenig goed, eenigen troost, eenige verkwikking, eenige hulp, eenige befcherming pnthouden, of u ter prooije uwer ellenden en vijanden, zonder redding, overgegeeven hebbe? Hebbe lk u iets geweigerd, van alles, waarom gij Mij op mijne beloften gevraagd of gebeeden hebt? Hebbe ik U niet geleerd, niet onderweezpn, niet geleid op den rechten weg uwes heils? Hebbe Ik u ook iets ontroofd, of van u terug gehouden? Hebbe Ik niet, ten tegendeel, u gedraagen, verfchoond, en vergeeven, zoo ras gij belijdenis van uwe zonden deedt, en tot Mij weder keerde t? *- Hebbe Ik immer geweigerd u raad te geeven, in alle uwe yer* legenheden, zoo ras gij Mij daarom vraagdet?

Dit nu vraagt God hier aan dit volk; niet, omdat dit twijfelachtig of onzeker was, of dat er redenen zouden kunnen voordgebragt worden van klagte in dezen, tegen den Heere. — Neen zeker; de Heer wist volmaakt, dat zij niets van dit alles

zoude kunnen inbrengen. Maar de Heer laat

zich, dus vraagende, als in een twistgeding met dit volk in. — Hij brengt derhalven de zaak voord, en beroept zich op hunne egen gewetens, voor bet oog van hemel en aarde. — De Heer fchroomt hier niet het fcherpile onderzpek. Alles was hier kennelijk; alles was blijkbaar. Zij moesten dan nu fpreeken., en openlijk zich over den Heere beklaagen. — Was God zoodaanig voor hun geweest? dit was de vraag. Laat nu hunne gewetens getuigen.. Is het zoo; dat zij dan vrij uit fpreeken.

De

Sluiten