is toegevoegd aan uw favorieten.

Proef eener elektrische natuurkunde.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— m 213 i& —■

blikken, die dan alleen fchijnen in te vallen, wanneer de elektriciceit van ftellig fot ontkennend, of van ontkennend tot ftellig overgaat. (Proefn. vi en xxi.)

II. Bij droog weder is de elektriciteit dés dampkrings meest altijd ftellig. (Proefn. 1. in. iv. vu, vin. x. xviii. xx. xxiv. en xxvif.) — Zeldzaam ontkennend. (Proefn. 11. xix.)

III. Bij betrokken en regenachtig weder is de elektriciteit des dampkrings meerendeels ontkennend: (Proefn. v. ix. xn. xiv. xvi. xvii. xxvi. xxviii.) Zeldeq ftellig. (Proefn. vi. en xxui.)

IV. Bij vriezend weder en fterke koude vindt men de elektriciteit ftellig en doorgaands fterker, dan bij warmer weder. (Proefn. xx. xxn. xxv.)

V. De dampkring is, zo wel bij nacht, als bij dag, dan eens ftellig, dan eens ontkennend geëlektrizeerd. (Proefn. xv.)

VI. De elektriciteit is in 't algemeen fterker, of zwakker, naar dat men meer of minder ellen koord heeft uitgelaaten. — Hoe hooger de vlieger is opgeftcgen,hoe fterker tekenen van elektriciteit men waarneemt. (Proefn. vi en xi.

De hier opgegeeven proefneemingen, en daaruit afgeleiden regelen of wetten, kan men met die van avderen vergelijken, en zien, in hor: verre men de7elven voor ftandvastigen te houden heeft. Met die van den Heer tib. cavallo (ƒ) ftemmeu

(/') Volledige verhandeling over de elèkiriqittit bladz. 301. O 3