is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooneelpoëzy.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 NATALIA,

van Vaalveld. Heer Eduard en ik zyn eensgezind ; wy komen Volmaakdyk overeen... Gy zult, naar allen fchyn, Met ons zo vry, als men op 't land leeft, willen zyn? Natalia.

Gy kunt my, door die taal, ten uittersten behaagen. Is deeze uw dochter?

van Vaalveld.

Ja. Ik kan 'er roem op draagen, Dat zy my vader noemt. Natalia, opjiaande, buigt zich voor Agatha.

Nooit zag ik een gelaat, Waarop het deugdzaam hart zo wel, zo edel daat.

Agatha. Misfchien is Eduard een uwer naaste vrinden ?

Natalia, een weinig bedeesd. 't Is reeds voorlang, dat wy ons keuden, en beminden. Agatha.

Hy heeft ons niets gezegd van uwe komst... misfchien...

Natalia, met een afgebroken zucht. Hy heeft ook niet gedacht, my heden hier te zien.

van Vaalveld. My dunkt, ik kan alreeds, in zyn gelaat, ontdekken, Tot wat volmaakte vreugd hem uwe komst zal drekken. Agatha.

Mevrouw nam zekerlyk de reis, deez' morgen, aan.

Natalia. 6 Ja, ik ben al vroeg, zeer vroeg op reis gegaan.

Agatha.

Toch heeft men wel gefpoed, 't zyn zes of zeven uuren.

Natalia. En echter fcheen de reis my veels te lang te duuren. Eduard ver fchynt op het Tooneel, doch, Natalia verneemende, wordt hy zeer ontfleld: van Vaalveld, iets ongewoons tusfchen deeze beide perfoonen gewaar werdende, ryst van zyne foei op.

Z E-